🏒 Alleen pushen, niet slaan
In de zaal mag de bal alleen worden voortbewogen met een push of flick — een duwbeweging waarbij de stick minder dan 50 cm van de bal wordt ingezet. De veldhockey-slag is in de zaal verboden: door de hardere vloer en kleinere ruimte zou dat te gevaarlijk zijn.
👥 Kleinere teams
Een zaalhockeyteam speelt met maximaal 6 spelers tegelijk op het veld (meestal 5 veldspelers + 1 keeper), tegenover 11 spelers bij veldhockey. Er mag doorlopend gewisseld worden.
⚠️ Strenger op hoge ballen
Bij veldhockey is een hoge bal alleen een overtreding als hij gevaarlijk is. In de zaal geldt een strenger criterium: elke opzettelijk opgetilde bal is al een overtreding, ongeacht of iemand er gevaar van loopt.
📏 Kleiner speelveld
Een zaalhockeyveld is ongeveer 18 bij 36 meter — een stuk kleiner dan een veldhockeyveld. Hierdoor liggen spelsituaties dichter op elkaar en moet je als scheidsrechter sneller schakelen.
⏱️ Meestal geen rust, en korter
De meeste zaalhockeywedstrijden (jeugd én senioren) duren 35 minuten zonder officiële rust — na 17,5 minuut wisselen de teams van speelhelft. In de hoogste klasses (zoals de Topklasse) wordt wél met rust gespeeld: 2 helften van 20 minuten met 3 minuten pauze.
🟩🟨🟥 Kaarten werken hetzelfde
De duur van een kaart verandert niet in de zaal: groen is 2 minuten, geel minimaal 5 tot 10 minuten, rood betekent voorgoed van het veld. Wel weegt elke tijdstraf zwaarder, omdat een zaalteam met maar 5 veldspelers speelt in plaats van 10 — één man minder is dus verhoudingsgewijs een grotere handicap dan op het veld.
✅ Wat verder hetzelfde blijft
De zelfpass en de meeste scheidsrechtersignalen werken in de zaal net als op het veld. Gebruik gerust de signalenpagina en quiz als opfrisser.
Bronnen: KNHB — Verschillen spelregels veld- en zaalhockey, KNHB — Standaard Arbitrage Afspraken Zaalhockey.